Hoedekenskerke

Ontdek de geschiedenis van deze voormalige gemeente en start het onderzoekmet de inventaris van het archief.

Banner_Hoedekenskerke

Ontstaan

Hoedekenskerke is ontstaan tijdens de massale parochiestichting op Zuid-Beveland aan het eind van de 12e, begin 13e eeuw. Het dorp dankt de naam aan ene Odekijn, de vermoedelijke stichter. Vlakbij gelegen waren de dorpjes Vinningen en Oostende. De wetenschap gaat ervan uit, dat Vinningen de moeder van Hoedekenskerke en Oostende is geweest. Kijkend naar de situatie van heden, bevindt Vinningen zich onder het noordelijk deel van Hoedekenskerke. Vermoedelijk was Oostende gesitueerd ten noordoosten van Hoedekenskerke, in de omgeving van de vroegere waterloop Zwake, nabij de monding van deze waterloop in de Westerschelde.

In de Oud-Vreelandpolder stichtte men in de 16e eeuw een kapel, omdat de afstand voor de in die polder woonachtige parochianen naar de kerken van Hoedekenskerke en Vinningen te groot was om met enige regelmaat de kerkelijke plichten waar te nemen. Dat leidde tot het ontstaan van Kwadendamme.

Hoedekenskerke komt voor het eerst in de schriftelijke bronnen voor in 1279. De gewezen pastoor van het dorpje, Wilhelmus van Oedekinskerke, dictus Vriese, stelde toen in een oorkonde een bedrag beschikbaar voor hulp aan het Heilige Land.

Het vroegere dorp was een vestiging, gelegen op een kreekrug, die geschikt was voor akkerbouw, en waar veeteelt werd beoefend op de lager gelegen poelgronden. De ligging aan de monding van een dichtslibbende kreek, die als ankerplaats en haven dienst deed, was gunstig. Die ontwikkeling wijkt niet af van wat doorgaans op Zuid-Beveland plaatsvond. Pas na het ontvolken van Oostende en het samensmelten met Vinningen groeide Hoedekenskerke uit tot een wat groter dorp.

De eerste inpolderingen in het gebied waarin nu Kwadendamme is, vonden plaats aan het eind van de 13e en het begin van de 14e eeuw. Het ging om het gebied waarin de waterloop Zwake gelegen was. Tussen het eiland Ovezande en de Molenpolder bij Oudelande werd vermoedelijk rond 1330 een dam aangelegd. Daarbij werd de Zwake ten zuiden van het eiland Ovezande afgesloten. De grote hoeveelheid water die zich na de afdamming van de zuidelijke Zwake-arm door een nauwe trechter moest worden geperst, leidde tot verdieping en verbreding van stroomgeulen. Maar dat leidde ook weer tot schorvorming in de zuidelijke Zwake. Om landverlies te voorkomen besloot men de schorren in de Zwake tot vlakbij de stroomgeul te bedijken. Door het leggen van een dijk ten noorden van het Langeweegje ontstond de Slabbekoornpolder. Ook polderde men de (Oud) Vreelandpolder in. De zuidwestelijke zeedijk werd dermate bedreigd, dat men zo’n 100 meter erachter een inlaagdijk legde, de huidige A. de Koningstraat. Toen de oorspronkelijke zeedijk het begaf moet ook de inlaagdijk een keer zijn doorgebroken, waarbij het diepe stroomgat als een weel werd binnengedijkt. Deze niet al te beste inlaagdijk kreeg de naam van een “quaden dam.”

Ambachtsheerlijkheden

Rond 1250 maakten twee geslachten de dienst uit in de parochie, namelijk die Van Oostende en De Vriese. Het is mogelijk dat het geslacht De Vriese hun bezittingen verloren door de verkeerde kant te kiezen in de strijd om de Hollandse gravenkroon. Het is ook mogelijk dat een Willem de Vriese huwde met een erfdochter Van Oostende. In de periode 1316-1348 komt een ridder Willem de Vriese voor, die zich ook heer Van Oostende noemde. Uit een grafelijke rekening blijkt, dat hij in Schore, Oostende, Vinningen en Hoedekenskerke bijna 3000 gemeten grond bezat. Het schijnt dat de Vriese van Oostende, die in de 16e eeuw het ambacht bezat, alleen maar dochters verwekte, zodat met hem in 1542 het geslacht uitstierf. In de 16e tot en met eind 19e eeuw vindt men in de verzameling ambachtsgerechtigden onder meer de namen van de families Van Liere, Van Cats, Mauregnault, Vogel, De Perponcher, De Laat de Kanter en Lenshoek. In 1880 vond er een openbare verkoping plaats van de eigendommen en rechten van de ambachtsheren.

Het dorps- en later gemeentebestuur

Voor 1795 werd het plaatselijk bestuur gevormd door de schout en de schepenen, zeven in getal. Zij waren niet alleen belast met het lokaal bestuur, maar spraken ook recht in eenvoudige justitiële zaken, regelden koop en verkoop een andere zakelijke rechten ten behoeve van de ingezetenen. Ze werden benoemd door de ambachtsheren, net als de ouderlingen en diakenen in de kerk, en ambtenaren als de dorpssecretaris en de schotter van het vee.

Dat alles veranderde in 1795 met de komst van de Bataafse republiek, toen vrijheid, gelijkheid en broederschap het parool was. Het gaat te ver om te denken dat er toen al een vorm van democratie ontstond die gelijkaardig was aan de onze. Wel kwamen er voor het eerst verkiezingen, maar daar moeten we ons geen al te grote voorstelling van maken. Doodgewone arbeiders kwamen daarvoor niet in aanmerking. Ambachtsheren verloren al hun rechten, maar in 1814 werden ze daarin gedeeltelijk weer hersteld.

In 1810 werd de Franse wetgeving van kracht. Daarmee kwam een maire aan het hoofd van de gemeente te staan, bijgestaan door een conseil municipal. In 1814 bleef die bestuursinrichting nog wel van kracht, alleen werd de maire weer schout en de conseil werd gemeenteraad. Het dagelijks bestuur kwam in handen van de schout en twee assessoren. In 1824 kwam er een nieuw Reglement voor het bestuur ten plattelande, dat bepalingen bevatte over de verkiezing van de gemeenteraad. De benaming schout verviel en werd vervangen door burgemeester.

Bij het van kracht worden van de gemeentewet in 1851 werd de gemeenteraad hoofd van de gemeente. Burgemeester en wethouders vormden het dagelijks bestuur en de burgemeester had speciaal de politie en de brandweer onder zijn hoede. Leden van de gemeenteraad werden voortaan door de inwoners gekozen. Aanvankelijk stelde het aantal kiezers nog niet veel voor omdat die aan allerlei vereisten moesten voldoen. In 1921 werden algemene verkiezingen ingevoerd, waaraan alle ingezetenen boven de leeftijd van 23 jaar mochten deelnemen. Vaststelling van het aantal raadszetels dat een partij bezette, geschiedde op basis van evenredigheid. De gemeenteraad van Hoedekenskerke telde in 1969, het laatste jaar als zelfstandige gemeente, zeven leden en vergaderde aanvankelijk in een kamer van de plaatselijke herberg. Het eerste echte huis der gemeente kwam er door aankoop van een woning in de Kerkstraat dat tot 1957 heeft dienst gedaan. In dat jaar werd een nieuw gemeentehuis in gebruik genomen, dat tot eind 1969 de gemeentelijke administratie huisvestte. Na de herindeling werd dat gebouw in gebruik genomen als dorpshuis.

Kerkelijke geschiedenis

Aanvankelijk stond op de plaats waar nu de Hervormde Kerk gevestigd is, een kapel. In de loop der eeuwen werd deze uitgebouwd tot een groot kerkgebouw, bestaande uit een koor, een schip en een toren. We nemen aan dat de kosten gedragen zijn door de ambachtsheren. Vermoedelijk is het koor in de jaren 1420-1430 gebouwd. In de voor-reformatorische periode waren er drie vicariën met altaren gewijd aan het Heilig Kruis, de Heilige Maagd en de Drievuldigheid. Daarnaast waren er nog altaren gewijd aan de heilige Gertrudis en de heilige Barbara,  en aan de heilige Nicolaas. Getuigen van het rijke, roomse leven tot 1578 zijn de in de kerk aanwezige grafzerken van pastoors en priesters, acht in getal.

Na de reformatie in 1578 kwam er al snel een predikant, Andries Caenen. Het koor richtte men in als preekkerk, de beelden verdwenen en de muurschilderingen kwamen achter de witte kalk terecht.

Aanvankelijk was de kerk veel groter. Maar in 1782 stortte de toren in. Kerkgebouw en toren verkeerden toen waarschijnlijk in minder goede staat. Acht dagen voor het incident constateerden kerkmeesters scheurvorming, maar deskundigen verkondigden dat dit geen kwaad kon. De toren stortte oostwaarts over het kerkgebouw, want ook de preekkerk, het koor, had schade. Het is nooit gekomen tot herbouw van het ingestorte deel van de kerk. Tot op de dag van vandaag is nog slechts een deel van het koor, dat kennelijk niet beschadigd was geraakt, in gebruik als kerkgebouw. Na de Tweede Wereldoorlog, toen het kerkje zwaar beschadigd werd, restaureerde men het gebouw grondig. Het oude houten tongewelf, dat bij een eerdere verbouwing verdwenen was, werd in ere hersteld en er kwam een nieuwe preekstoel. Muurwerk werd gerepareerd met gebruikmaking van stenen, afkomstig van de totaal vernielde kerk van Ellewoutsdijk. Tijdens de oorlog verwijderden de Duitsers de klok uit de kerk en versmolten haar. In 1949 leverde de firma Eijsbouts een nieuwe.     

Toen in 1836 de Afscheiding op Zuid-Beveland tot stand kwam, leverden ook enkele inwoners van Hoedekenskerke hun afscheidingsbriefje bij de kerkenraad van de Hervormde Gemeente in. Zij voegden zich bij de Chr. Afgescheiden gemeente van Baarland. Na 1866 kwam er een afdeling van de Goese Kruisgemeente tot stand, die zich niet voegde bij de in 1869 gestichte Christelijke Gereformeerde Gemeenten. Deze gemeente kreeg in 1877 toestemming van de overheid om zich als afzonderlijke Gereformeerde Gemeente te vestigen. Sinds 1907 behoort zij tot het door ds. Kersten gestichte kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika.

Kwadendamme was en is geheel katholiek. Op zich is dat niet zo verwonderlijk. Op Zuid-Beveland was na 1578 een substantieel deel van de bevolking katholiek gebleven. Al in 1615 was er weer een pastoor voor geheel Zuid-Beveland, die op afgelegen boerenhoeven de mis leidde. Doorgaans was de verhouding tussen protestanten en katholieken niet slecht. Zo nu en dan waren er ontsporingen, maar daarna keerde de rust doorgaans al snel weer terug.

In 1801 werd begonnen met de bouw van de katholieke kerk, die de afmetingen en de vorm van een boerenschuur had. De pastorie bouwde men tegen de achterzijde. De eerste pastoor was Arnoldus van Kerkhove die in 1814 na een ruzie met kerkmeesters, vervangen werd door Pieter Borsten. In 1897 werd de inmiddels bouwvallige pastorie afgebroken en vervangen door een woning, op ruime afstand van de kerk. Het bouwen van een nieuwe kerk werd in 1901 noodzakelijk. In september 1902 was deze gereed. In 1919 stortte de torenspits in tijdens noodweer en kwam op het dak van de pastorie terecht. Gelukkig vielen daarbij geen slachtoffers. In de jaren tachtig van de vorige eeuw vonden restauraties aan het gebouw plaats

Lokale economie

Zowel in Hoedekenskerke als in Kwadendamme is de landbouw altijd het belangrijkste middel van bestaan geweest. Hoedekenskerke kende al vroeg een veerverbinding met Zeeuws-Vlaanderen Die werd belangrijk toen in 1927 de tramlijn door de Zak van Zuid-Beveland in gebruik werd genomen en de provincie Zeeland de veerverbinding met Terneuzen exploiteerde. Het personenvervoer over het tramlijntje werd al spoedig afgeschaft wegens gebrek aan reizigers. Een korte periode na de bevrijding werden er weer reizigers vervoerd. Maar de tramlijn is tot de opheffing eind jaren zestig in gebruik gebleven voor het vervoer van landbouwproducten. In 1974 richtte men de museumspoorlijn in, die tot op de dag van vandaag in gebruik is. Pogingen om de veerverbinding, die halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw werd opgeheven, weer te laten functioneren, liepen op niets uit.

Naast de landbouwbedrijven kenden beide plaatsen een bloeiende middenstand. De komst van het grootwinkelbedrijf leidde evenwel tot het verdwijnen van de eenmansbedrijfjes uit de dorpen.

Archief

Het archief over de periode 1807-1946 werd in de jaren vijftig van een inventaris voorzien door G, Stadermann. Bij de verantwoording van die inventarisatie merkte hij op de afwezigheid van stukken uit de 17e en 18e eeuw op, net als de slechte staat waarin archivalia zich toen al bevonden. Hij constateerde “betreurenswaardige leemten”,  een conclusie die we alleen maar kunnen onderschrijven. In positieve zin vallen de aanwezigheid van het oud-rechterlijk archief en het archief van de Hervormde Gemeente op. Deze zijn in de archiefbewaarplaats aanwezig en bevatten wel stukken over de geschiedenis van het dorp in de 17e en 18e eeuw. De stukken die zich in slechte staat bevonden zijn in de loop der jaren gerestaureerd.

Twee oud-gemeentesecretarissen werden belast met de verzorging van de archieven van de voormalige gemeenten. Uit de bundels correspondentie werd naar hartenlust vernietigd, zonder een verklaring op te maken. Slechts de door vocht zwaar beschadigde stukken lieten zij met rust. Bij onze herinventarisatie is daarom geen vernietiging toegepast. Er is meer dan voldoende verdwenen.