Borssele

Ontdek de geschiedenis van deze voormalige gemeente en start het onderzoekmet de inventaris van het archief.

Banner_Borssele

Het begin

In de middeleeuwen lag ten zuidwesten van Zuid-Beveland het eiland Borssele. De naam komt voor het eerst voor in de oorkonde, waarbij keizer Otto II de St. Baafsabdij in Gent bevestigt in het bezit van abdijgoederen op Schouwen-Duiveland, Beveland, Walcheren, en Borssele. Er zijn nogal wat varianten op de naam, die naar het adellijk geslacht Borssele verwijzen. We noemen Brumsala (976), Brumsela (1040), Borsala en Bersalia (1197). Het wapen van de voormalige gemeente is exact hetzelfde als dat van het geslacht Borssele, dat op het eiland zijn stamslot liet bouwen. De resten daarvan liggen in de omgeving van de Berg van Troje.

In die oude tijden kende Borssele vijf ambachten: Monster, Tevic, Oostkerke met Wolfertsdorp, Westkerke en Sint Katharinakerke. Monster was de grootste en belangrijkste plaats. De naam duidt op de aanwezigheid van een kerk. Deze was een dochterkerk van de West-Monster in Middelburg.

De stormvloed van 5 november 1530 was desastreus voor het eiland. De overlevenden wendden zich tot ambachtsheer Anthonie van Lalaing, graaf van Hoogstraten, die een bedrag van 1.500 euro, in hedendaags geld, voorschoot voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden. Een nieuwe storm deed alles weer teniet, zodat het eiland onder water bleef staan. Met grote moeite lukte het om in de zomer van 1532 de gaten in de dijken te dichten, maar op Allerheiligendag van dat jaar kwam het tot een nieuwe overstroming. Deskundigen van toen kwamen tot de conclusie dat herdijking mogelijk was, maar dan moesten de dijken wel aanzienlijk worden verhoogd. De graaf van Hoogstraten stelde zo zijn eisen, maar toen die niet werden ingewilligd door Karel V gaf hij er de brui aan en deed afstand van zijn leen. Het voormalige eiland, waarop de resten van de dorpen zichtbaar bleven, bleef drijvende tot 1616. Twee jaar daarvoor had het stadsbestuur van Goes namelijk besloten om de inmiddels ontstane schorren aan te kopen en in te polderen. Op 11 mei 1616 werd het laatste gat gedicht. In de nieuwe polder kwam het dorp Borssele tot stand volgens een plan van de Goese burgemeester Soetwater. In het midden kwam een plein met daaromheen de Zuidstraat, de Weststraat, de Noordstraat en de Ooststraat.

Vanzelfsprekend had men in Goes de gedachte aan het nieuwe land te kunnen verdienen, maar dat viel in de praktijk erg tegen. Men was blij toen er in 1750 een koper opdook in de persoon van een zekere Jan van Borselen van der Hooghe, die zich op een rechtstreekse afstamming van het voormalig adellijk geslacht Borssele beriep. Het geslacht Borssele van der Hooghe hield de heerlijkheid in bezit tot 1904, toen Anton Willem, baron van Borssele deze legateerde aan het gemeentebestuur.

Het dorps- en later gemeentebestuur

Toen het stadsbestuur van Goes eigenaar van de nieuw ingepolderde gebieden was, had het een stevige vinger de pap over de benoeming van de baljuw en de schepenen. Het sloeg de plank nog wel eens mis. Er waren baljuws, die zich niet bepaald op eerbare wijze gedroegen. Daarnaast waren de Goese bestuurders nauw betrokken bij de beroeping van predikanten en de benoeming van ouderlingen en diakenen in de Nederduits Gereformeerde Kerk. In de periode 1750-1795 was het de familie Borsele van der Hooge, die deze taak van het stadsbestuur overnam. Ten tijde van de Bataafse Republiek zou dat langzaam veranderen. Heerlijke rechten werden afgeschaft.

Van 1810-1813 was de Franse wetgeving van kracht. Maire en municipale raad maakten toen de dienst uit. In 1814 kwam de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente. Een door de Kroon benoemde schout fungeerde als burgemeester en de raad koos uit zijn midden twee assessoren, die samen met de schout het dagelijks bestuur van de gemeente vormden. Nieuwe raadsleden werden gekozen op basis van een voordracht van de raad en ze werden in hun functie benoemd door Gedeputeerde Staten. Dat was alles op basis van het Reglement voor het bestuur van het platteland, dat in 1824 vernieuwd werd. De titel van schout veranderde toen onder meer in die van burgemeester.

Met de gemeentewet van 1851 ging veel veranderen. De gemeenteraad kwam officieel aan het hoofd van de gemeente te staan en telde, op basis van het aantal inwoners, zeven leden. Het college van burgemeester en wethouders bestond, naast de burgemeester, uit twee wethouders was belast met het dagelijks bestuur van de gemeente, bereidde de in de gemeenteraad te behandelen zaken voor en voerde besluiten van de raad uit. De burgemeester vertegenwoordigde de gemeente en had het oppertoezicht over brandweer en politie. De raad werd rechtstreeks door de ingezetenen gekozen en niet meer, zoals voor 1851, na verkiezing op basis van een voorstel, benoemd door het college van Gedeputeerde Staten.

In het begin voldeden nog maar weinig ingezetenen aan de criteria die voor kiezers golden. Zo hadden vrouwen eerst helemaal geen stemrecht. In de tijd die volgde kwamen er bijvoorbeeld loon- en examenkiezers. Sinds 1921 bestaat er algemeen kiesrecht voor de gehele bevolking, die nog aan een aantal zaken moest voldoen, zoals een bepaalde leeftijd, Nederlander zijn en ingezetene van de gemeente. Na 1921 werden deze criteria nog een aantal malen aangepast. Tot aan de opheffing van de gemeente Borsele in 1970 kwam in de organisatie van het gemeentebestuur geen verandering.

De lokale economie

Eeuwenlang heeft de plaatselijke economie in het teken gestaan van de landbouw. Nog steeds is die van groot belang voor de plaatselijke gemeenschap. Aan de westkant van de gemeente lag het Sloe. Dat was een uniek natuurgebied, waarvan op een deel, de Kaloot, duinvorming had plaatsgevonden. Nog steeds is het restant ervan een vindplaats voor fossielen, zoals haaientanden. De uit Borsele afkomstige dichter/schrijver Hans Warren was er in zijn jeugd vrijwel dagelijks te vinden en publiceerde op latere leeftijd een natuurdagboek, waarin Sloe en Kaloot een prominente plaats hebben.

Begin jaren vijftig polderde men het Sloe in. In de jaren zestig kwam het tot vestiging van grootschalige industrie in de nieuw ontstane polders. Van het oorspronkelijke getijdengebied bleef alleen nog een deel van de Kaloot over. Het dorp Borssele kwam onder de rook van de zware industrie te liggen. Aan het eind van de jaren zestig van de twintigste eeuw kwam de ontwikkeling van een conventionele centrale en een kerncentrale voor de opwekking van elektriciteit op gang.

In 1850 kwam er een veerdienst Vlissingen-Terneuzen-Hoedekenskerke, die in 1866 werd uitgebreid tot Hansweert en Walsoorden. In 1867 stond ook Borssele genoteerd als aanlegplaats wanneer het weer goed was. In 1893 bouwde de provincie een steiger bij de Staartnol zodat ongeacht de weersomstandigheden, altijd bij Borssele kon worden aangelegd. In mei 1940 werd deze veerdienst gestaakt en nooit meer hervat omdat de steiger in 1944 door de Duitsers werd verwoest. In 1860 legde men op het verdronken land van de Wolphaartspolder een nieuwe getijdenhaven aan, die in 1872 door de gemeente werd overgenomen van het polderbestuur. De haven was bereikbaar voor schepen tot 400 ton. In 1944 vernielden de Duitsers deze haven grotendeels. Na de bevrijding vond herstel plaats, maar met de dijkverzwaring van de zeedijk werd de buitendijk gelegen haven gedempt. Voor het overige geldt in Borsele hetzelfde als in de andere Bevelandse dorpen, namelijk verdergaande mechanisatie van de landbouw en verdwijnen van de middenstand uit het dorp.

Een stukje kerkgeschiedenis

Toen de Reformatie op Zuid-Beveland plaatsvond, in 1578, bestond Borssele nog niet. Vandaar dat sinds 1616 slechts de protestantse godsdienst tot ontwikkeling kwam. Katholieken waren er niet. Al in 1617 kwam de eerste predikant naar het dorp: Elias Morris, die in 1625 naar Kruiningen vertrok. Een kerkgebouw was er niet. Het plan om een kerk op het Plein te bouwen vond geen doorgang wegens geldgebrek. De eerste kerkdiensten werden in de pastorie gehouden–wat ook iets vertelt over het aantal inwoners. Later hield men de diensten in het gerechtshuis op de hoek van de Weststraat en het Kerkhof. Met enige regelmaat verzocht men vanuit Borssele aan de Goese magistraat om gelden beschikbaar te stellen voor de bouw van een eigen kerk. Het zou tot 1846 duren voordat er echte plannen op tafel kwamen. Op 13 april 1851 nam de kerkelijke gemeente het nieuwe kerkgebouw in gebruik. Het torentje – een dakruiter – was eigendom van de burgerlijke gemeente.

Toen ds. H.J. Budding in 1836 de stoot gaf tot de Afscheiding in Zeeland kreeg hij in Borssele al snel volgelingen. Een van die volgelingen was de invloedrijke Jannis van de Luijster, die kort tevoren was afgetreden als ouderling van de Hervormde Gemeente. Van 1837 tot 1839 was Budding predikant van alle Zeeuwse afgescheiden gemeenten, waaronder die van Borssele. Die werd op 11 september 1836 in de boerenschuur van Van de Luijster werd geïnstitueerd. Aanvankelijk was het een streekgemeente met leden uit Borssele, ’s-Heerenhoek en Heinkenszand.

In 1839 kwam Budding in conflict met een aantal Zeeuwse afgescheiden gemeenten. Het spitste zich toe op het vragen van Koninklijke goedkeuring en het zingen van de psalmen van Datheen. Borssele ging mee met het vragen van de vrijheid en kwam in het kamp van de Chr. Afgescheiden Gemeenten in Zeeland terecht. Tot 1845 kerkte men in de schuur van Van de Luijster. In dat jaar nam men een kerkje in gebruik aan de Westsingel. In 1847 vertrok Van de Luijster met vele lidmaten van zijn gemeente, voor wie hij de overtocht bekostigde, naar Noord-Amerika. De achterblijvende leden voegden zich bij de Afgescheiden Gemeente van Nieuwdorp. De predikant van die gemeente moest acht keer per jaar in Borssele komen preken.

In 1859 kwam het tot een scheuring. A. van Overbeeke voegde zich met anderen bij de gemeenten van de Ledeboeriaanse predikant Bakker. Deze gemeente kwam tenslotte in het verband van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord Amerika terecht. Met de “gewone” gereformeerden bleef het tobben. De combinatie met Nieuwdorp was volgens de Nieuwdorpse predikant Donner in 1903 zo problematisch, dat hij ervoor pleitte om de Borsselse gemeente te laten samengaan met die van Driewegen. In 1907 was dat een feit. Ze behielden beide hun eigen kerkgebouw en kerkenraad. Eén predikant zou beide gemeenten bedienen. Sinds 2011 zijn de Hervormde Gemeente en Gereformeerde Kerk samen gegaan in PKN-verband.

Cultuur

P.J. ’t Hooft geeft in zijn boek “Dorpen in Zeeland” een fraai sfeerbeeld van het dorp Borssele. Over het Plein schrijft hij onder meer: “De randbebouwing met de goten op nauwelijks vier meter hoogte, is te laag gebleven om de bovenafsluiting van de bomen te kunnen missen. De boerentimmerlieden die in Borssele bouwden deden het om in een behoefte te voorzien. Ze deden het zoo goed mogelijk en dat is: goed. Rust op het plein door de evenwichtige verhouding van lengte en breedte en hoogte. In Borssele domineert het plein, zoodat het heele dorp eigenlijk alleen maar plein is. Alles is meetbaar in Borssele. De huizen langs het Plein toonen de bekende maten van deuren en stoepen. Het vischkot heeft de hoofdafmetingen van de huizen en de details van de kerk.”

Borssele heeft nogal wat monumenten, wat aanleiding is geweest tot het aanwijzen van het dorp als beschermd dorpsgezicht. Naast de kerk loopt op het Plein ook het Viskot op. Wanneer dat gebouwd is, weten we niet. Alhoewel in de literatuur gesproken wordt over een achttiende-eeuws gebouwtje, komt het op de oudste kadastrale kaart van ca.1830 niet voor. Heel lang heeft het dienst gedaan als jongerenontmoetingsplaats. In 1944, bij de bevrijding van de gemeente, liep het aanzienlijke schade op, waarna men besloot tot volledige herbouw. Op de goot zijn drie houten vaasvormen aangebracht met daarop de tekst: ‘hoort, ziet, zwijgt.’. In de tijd van de verzuiling kende Borssele een uitgebreid, levendig, maar vooral kerkelijk verenigingsleven.

Bron: inventaris van de voormalige gemeente Borssele