Driewegen

Ontdek de geschiedenis van deze voormalige gemeente en start het onderzoekmet de inventaris van het archief.

Banner_Driewegen

Het begin

Driewegen is ontstaan tijdens bedijkingen in het gebied rondom Ovezande en het eiland Borssele in de 14e en 15e eeuw. Toen de Zakpolder bedijkt was, werd er door deze en de Langemairepolder een weg aangelegd naar het midden van de Koudorpse polder, waar ook een weg uit Koudorp uitkwam. Op het kruispunt van deze wegen met de weg, die in de richting oost-west dwars door de gehele polder liep (de huidige Paulushoekseweg) ontstond Driewegen. In de 16e eeuw ontwikkelde het zich tot een dorp met een kapel en overvleugelde daarmee Koudorp, dat tenslotte ontvolkt raakte en van de landkaart verdween. De teloorgang van het laatstgenoemde dorp had alles te maken met een slechte afwatering van het omringende gebied en met de gevolgen van stormvloeden.

Tot in het midden van de 18e eeuw herinnerde de ruïne van de kerktoren aan het eens bestaande dorp. In 1772 ruimde men de resten op en werden die als stortsteen gebruikt bij het onderhoud van de dijken. De naam Koudorpse polder verdween eveneens en werd vervangen door Driewegenpolder.

Tot het grondgebied van de gemeente Driewegen behoorden de Driewegenpolder, de Lange Marepolder en gedeelten van de Zakpolder, de Hollepolder, de Blazekoppolder, de Sint Anthoniepolder en de Kamerpolder. Ze werden bedijkt in de periode 1300 – 1475.

De ambachten Koudorp en later Driewegen waren eigendom van onder meer de adellijke geslachten Van Everinge, Van Borssele, Renesse en Van der Maalstede en Van Cats. Begin 17e eeuw kwam Driewegen in handen van het geslacht Van Watervliet. Aan het eind van de 17e eeuw kwam de heerlijkheid in handen van het geslacht De Perponcher Sedlnitsky. Afstammelingen daarvan verkochten hun bezittingen in 1868 aan J.T. Prümers te Ellewoutsdijk. Na diens dood erfde de familie Van Hattum de bezittingen.

Het dorps- en later gemeentebestuur

In oude tijden kende Driewegen een bestuur dat niet afweek van de overige dorpen in Zuid-Beveland. De ambachtsheren benoemden onder meer een baljuw, schepenen, kerk- en armmeesters. Het beroepen van predikanten was eveneens aan hun goedkeuring voorbehouden en zodoende hadden ze een stevige vinger in de pap van het reilen en zeilen van de dorpsgemeenschap. Baljuw en schepenen waren belast met de uitvoering van het bestuur van het dorp en juridische zaken, zoals het nemen van beslissingen in rechterlijke aangelegenheden en civiele procedures. Een dorpssecretaris stond hen bij om de zaken op papier vast te leggen.

Bij de omwenteling in 1795 veranderde de bestuursinrichting ingrijpend. Ambachtsheerlijke rechten vervielen. De rol van de ambachtsheren in de verkiezing van de plaatselijke functionarissen was daarmee uitgespeeld. De burgers kregen het voor het zeggen. Dat was nog niet de vorm van democratie van vandaag. De eerste aanzetten daartoe waren echter gegeven.

In de periode 1810-1813 was de Franse wetgeving van kracht. Deze kende de benoeming van een maire en een municipale raad. Het zwaartepunt in het bestuur kwam bij de door de hogere overheid benoemde maire te liggen. In 1814 werd deze bestuursvorm weer afgeschaft. Er kwamen een gemeenteraad, een schout en uit de gemeenteraad benoemde assessoren. In 1824 kwam er een nieuw reglement op de besturen ten plattelande, waarbij de naam van schout veranderde in burgemeester.

In 1851 trad de gemeentewet in werking, waarbij het onderscheid tussen stad en platteland verviel. Aan het hoofd van de gemeente kwam de gemeenteraad, met verordenende bevoegdheden en de regeling van de gemeentelijke financiën. Uit de gemeenteraad, die om de vier jaar door de inwoners van de gemeente werd gekozen, kwamen twee wethouders. Samen met de burgemeester vormden zij het college van burgemeester en wethouders. Dat college was belast met de voorbereiding van hetgeen door de gemeenteraad moest worden besloten en met de uitvoering van wettelijke regelingen van hogerhand. De burgemeester tenslotte was belast met het oppertoezicht op brandweer en politie en vervulde representatieve taken. Hij werd door de Kroon benoemd voor een termijn van zes jaar. Herbenoeming voor een volgende termijn was regel.

Driewegen vormde voor het burgemeesterschap vaak een combinatie met andere gemeenten zoals Ovezande, Ellewoutsdijk en, in de periode 1875-1920, met Nisse.

Het was vanaf 1851 zeker niet zo dat alle ingezetenen van de gemeente hun bestuurders mochten kiezen. Dat was in eerste instantie voorbehouden aan de toplaag binnen de gemeente. Er kwamen naderhand diverse varianten, zoals loon-, spaar- en examenkiezers.

In 1919 kwam er algemeen kiesrecht voor ingezetenen ouder dan 21 jaar. De grootte van de gemeente was bepalend voor het aantal raadsleden, dat gekozen kon worden. In Driewegen bestond de raad uit zeven leden. Het gemeentebestuur vergaderde eerst in de zogenaamde gemeenteherberg. In 1913 nam
de gemeente de oude, verbouwde, openbare lagere school in gebruik als gemeentehuis. In 1939 maakte men plannen voor de bouw van een nieuw gemeentehuis, maar door de dreigende internationale situatie is het daar niet meer van gekomen. Na de oorlog voerde men in het bestaande enkele verbouwingen uit. Toen per 1 januari 1970 de gemeente werd opgeheven, werd het gebouw verkocht.

De Lokale economie

Driewegen was een kleine agrarische dorpsgemeenschap met in de 19e eeuw bakkers, kruideniers, een wagenmakerij, een smederij, kleermakers en timmerlieden. Van deze vele middenstanders zijn er vandaag de dag niet veel meer over. De dorpsgemeenschap werd gedomineerd door een aantal grote boeren, die tot in de 20e eeuw werkgevers van de landarbeiders waren. De mechanisatie in de landbouw deed het
aantal landarbeiders sterk verminderen. Thans werken de meeste Driewegenaren elders en niet meer in het dorp zelf.

Een stukje kerkgeschiedenis

Aanvankelijk was de Hervormde gemeente de enige kerkelijke gemeenschap. Begin 20e eeuw institueerde men de Gereformeerde Kerk . Thans is men Samen op Weg. Het aantal katholieken is in tegenstelling tot het naburige Ovezande altijd gering geweest. Thans is het aantal kerkelijk meelevenden naar de rand van de samenleving verdrongen en overheerst ook hier de onkerkelijkheid.

In Driewegen stond een openbare lagere school. Aanvankelijk werd de schoolmeester benoemd door de besturen van de gemeente en de Hervormde Kerk, met een vertegenwoordiger van de ambachtsheer. In de 19e eeuw kwam het bestuur van de school aan de gemeente. Ondanks meerdere pogingen kwam er in Driewegen geen christelijke school, wel in Ovezande.

Cultuur

Het dorp kende tot ver in de 20e eeuw een bloeiend verenigingsleven. Nieuwe vormen van ontspanning, zoals de televisie en een grotere mobiliteit van de bevolking hebben dit grotendeels teniet gedaan.