Heinkenszand
Ontstaan
Het ontstaan van Heinkenszand is niet nauwkeurig aan te geven. Van de vroegste bedijkingen is geen enkele oorkonde overgeleverd. Uit bronnen en literatuur is bekend, dat op het huidige Zuid-Beveland na de stormvloed van 1134, offensieve bedijkingen werden uitgevoerd. Deze leidden tot het afdammen van kreken, het aanleggen van kleine dijken en daarna een systematisch uitgevoerde bedijking van de oude kerngebieden Borssele, Zuid-Beveland en Wolphaartsdijk. Tussen deze gebieden liep echter een aantal diepe getijdengeulen, zoals de Zwake tussen Borssele en Zuid-Beveland en het Schenge tussen Zuid-Beveland en Wolphaartsdijk. Tussen de Zwake en het Schenge ontstond in de 12e en 13e eeuw een uitgebreid gebied van zandbanken en schorren. De geul tussen Zuid-Beveland en de grote zandplaat “Het Heynekynszand” werd de Slaak genoemd. In het eerste kwart van de 14e eeuw legde men om deze zandplaat een ringdijk. Zo ontstond een polder van ca. 135 hectare. Toen kort daarna de noordoostelijk gelegen schorren bedijkt werden, sprak men van het Ouweland. Het nieuw ingepolderde gebied werd respectievelijk het Oosterland en het Oosterguite genoemd. In de 14e eeuw zette het proces van inpoldering zich voort, af en toe onderbroken door een stormvloed. In de loop van de 15e eeuw volgden aan de westelijke kant de Westerguitepolder en het Vlaandertje. Westelijk daar weer van volgden in de loop der tijd daarna de Kraaijertpolders. Heinkenszand, dat zich vormde op de scheidingslijn van Oosterland en Oosterguite, werd uiteindelijk een gemeente van achttien polders.
Ambachtsheerlijkheden
De graaf van Holland had zijn recht van opwas vergeven aan het geslacht Van Schenge uit het naburige ’s-Heer Arendskerke. Dit geslacht investeerde vooral in het bedijken van grote stukken schorgebied, maar dat leidde niet tot een vooraanstaande plaats in de adel van die tijd. Het bleef van minder belang dan bijvoorbeeld de families Van Borsele, Van der Maelstede, Van Renesse en Van Kruiningen. In de 16e eeuw bleven ze katholiek. Toen het protestantisme vaste grond kreeg in Zeeland, week het geslacht Van Schenge uit naar België. Aan het eind van de 16e eeuw en in de 17e eeuw waren het vooral gegoede Zeeuwse families die in het bezit kwamen van de ambachtsheerlijke rechten. Daaronder waren voor Heinkenszand te rekenen de families Van Watervliet en Van der Nisse. Aan het eind van de 17e eeuw kwam een groot deel in handen van de familie De Perponcher Sedlnitsky. In de 18e eeuw kocht de familie Hurgronje uit Vlissingen een deel van de rechten en aan het einde van die eeuw kwam de familie Van Citters op. Een uitgebreid overzicht van alle ambachtsgerechtigden is te vinden in J. de Ruiter, Heinkenszand, land van achttien polders, Goes, 1999.
De aanwezigheid van dergelijke families leidde tot de bouw van buitenplaatsen, zoals Watervliet en Barbestein, met fraai aangelegde tuinen.
Naam en wapen
Wie zijn naam heeft gegeven aan Heinkenszand is niet bekend. De naam komt voor het eerst voor in 1351. Voor zover bekend was er een Hendrik van Schenge, maar die overleed al in 1270. Het oorspronkelijke wapen voerde een rode haan. Daarvoor koos men in 1543 toen Karel V bepaalde dat elke schepenbank een eigen zegel moest hebben. Een van de belangrijkste ambachtsheren van die tijd was Jeronimus Sandelijn, in wiens wapen drie hanen voorkwamen. In 1817 verleende de Hoge Raad van Adel een wapen aan de gemeente, waarin een onduidelijke watervogel werd afgebeeld. Dat was op basis van een tekening, die het gemeentebestuur aan de Hoge Raad had overgelegd en die nog het meest overeen kwam met een reiger, die vermoedelijk weer te maken had met de familie Reigersberg, een grote ambachtsheer in het midden van de 17e eeuw. In 1939 verleende de Hoge Raad opnieuw een wapen aan de gemeente, waarop een blauwe reiger is te zien.
Kerkelijke geschiedenis
In 1405 is er sprake van een kapel in het dorp, waaraan Willem van Schengen als geestelijke verbonden was. De daarin aanwezige altaren waren gewijd aan de Maagd Maria en aan de Heilige Blasius. Toen omstreeks 1420 Heinkenszand aan het vasteland van Zuid-Beveland verbonden was, werd de kapel tot parochiekerk verheven. De Reformatie kreeg in de 16e eeuw voet aan de grond. De classis Goes bepaalde in 1579 dat Gheleyn van Oost als predikant aan de Nederduits Gereformeerde gemeente verbonden zou worden. In 1836 was het kerkgebouw in zulke slechte staat, dat het, met de toren, moest worden afgebroken. Het duurde overigens tot 7 januari 1843 voordat de bouw van de nieuwe kerk kon worden aanbesteed. Toen het gebouw klaar was, telde het nogal wat gebreken en zo kwam het dat de eerste dienst pas op 10 november 1844 kon plaatsvinden. Op Zuid-Beveland was sprake van een opgelegde reformatie, waaraan lang niet iedereen mee wilde doen. Zo is er in Heinkenszand altijd een groep katholieken blijven bestaan, die twee eeuwen lang herderlijk werd bediend door de landspastoor, die in Goes woonde. Op 5 april 1805 kwamen de katholieken officieel bovengronds. Zij kochten het slot Barbestein aan en op dat terrein staat tot op heden de katholieke kerk.
In 1836 scheidde een groep Hervormden zich af en stichtten de christelijke afgescheiden gemeente. Het schisma in Zeeland binnen deze groepering leidde tot het grotendeels teloor gaan van deze jonge gemeente, zo rond 1839. Een deel ervan bleef bestaan, tot ca. 1850, als Oud-Gereformeerde Gemeente. In 1869 kwam de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Heinkenszand tot stand, sinds 1892 de Gereformeerde Kerk. In het laatste decennium van de 20e eeuw verenigde deze kerk zich met de Hervormden tot wat nu de Protestantse Kerk is.
Onderwijs
Van oudsher werd onderwijs gegeven onder toezicht van de kerk. In de tijd van de Reformatie was de onderwijzer niet zelden koster en voorzanger om aan een voldoend inkomen te geraken. In de 19e eeuw was er naast openbaar onderwijs een aantal jaren sprake van christelijk onderwijs. Begin 20e eeuw richtten zowel de gereformeerden als de katholieken eigen schoolverenigingen op. In de periode 1870-1881 was er nog een bijzondere school voor meisjes van rijke ouders.
Cultuur en lokale economie
Heinkenszand heeft door de tijd heen een bloeiend verenigingsleven gekend, dat varieerde van sportverenigingen tot kerkelijke verenigingen, van verenigingen van varkenshouders tot geitenfokverenigingen. De lokale economie richtte zich voornamelijk op de landbouw, maar het dorp kende toch ook een wat meer regionale uitstraling dan de overige dorpen in de Zak van Zuid-Beveland.
Gemeentebestuur
Tot aan 1795, het jaar waarin de Bataafse Republiek tot stand kwam, had Heinkenszand een bestuursvorm, zoals die in Zeeland gebruikelijk was. Een college van schout en schepenen, benoemd door de ambachtsheren zorgde voor het lokale bestuur en de lokale rechtsspraak in Heinkenszand. De leden van dit college waren afkomstig uit de kring der aanzienlijken in het dorp. De ambachtsheren benoemden ook kerkbestuurders, schoolmeester, schotter en bode. Tijdens de Bataafse Republiek veranderde er de facto weinig, zij het dat de plaatselijke bevolking wat meer te zeggen kreeg in bestuurlijke aangelegenheden. Zo mocht het bijvoorbeeld deelnamen aan de verkiezing van grondvergaderingen. In de periode 1810-1813 was de Franse bestuursinrichting van kracht, met een maire en een municipale raad. Toen in 1814 het Koninkrijk der Nederlanden zijn intrede deed, kwam er een gemeenteraad en een college van schout en assessoren. In 1824 kwam er een nieuw reglement op het bestuur van het platteland. De gemeenteraad bleef in functie, de schout werd burgemeester genoemd en vormde met de assessoren een bestuurscollege, dat zich vooral met de dagelijkse gang van zaken bezig hield. De burgemeester had vooral een taak als hoofd van de politie en de brandweer. De gemeenteraad werd gekozen door de ingezetenen, maar tot 1851 werden ze dan in hun functie benoemd door Gedeputeerde Staten. Het aantal kiezers was toen gering.
Toen in 1851 de gemeentewet in werking trad, werd de gemeenteraad hoofd van de gemeente. Hij had het recht regelend en besturend op te treden in eigen aangelegenheden. Vanuit zijn midden werden er twee wethouders gekozen, die samen met de burgemeester het college van burgemeester en wethouders vormden. Dat college bereidde de besluiten van de raad voor en voerde die uit. Daarnaast verleenden burgemeester en wethouders medewerking aan wettelijke regelingen van hogerhand. De burgemeester vervulde de representatieve verplichtingen en had oppertoezicht op plaatselijke politie en brandweer. Deze bestuursinrichting zou zich tot 1970 nauwelijks wijzigen. Mochten aan het begin van de negentiende eeuw slechts welgestelden zich bezig houden met verkiezingen, sinds 1921 is er sprake van algemeen kiesrecht voor iedereen, die aan de daarvoor bepaalde wettelijke vereisten voldoet.
Van oudsher vergaderden de dorpsbestuurders in de parochieherberg en sinds de negentiende eeuw bij andere herbergiers. In 1881 kwam een wet tot stand die bepaalde dat elke gemeente over een gemeentehuis moest beschikken, maar in Heinkenszand kwam dat pas einde 1901 tot stand. In dat jaar kocht men de woning van oud-burgemeester Vermande aan en richtte men dat in tot gemeentehuis. In 1931 bracht men de secretarie over naar het van de erven Witkam aangekochte pand. Dat bleef in gebruik tot 1970. In 1974 werd het afgebroken.
Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie
Het zal in Heinkenszand wel niet anders geweest zijn dan in de overige dorpen van de gemeente Borsele het geval is geweest. Aanvankelijk berustte het archief van de gemeente bij de secretaris thuis en voor een deel in de zaal waar het dorpsbestuur zijn zetel had. Toen er eenmaal een echt gemeentehuis in gebruik was genomen, bracht men het archief daar in onder.
Het archief heeft veel te lijden gehad van ondeskundige behandeling, die een triest hoogtepunt vond na de herindeling van 1970. Een tweetal oud-gemeentesecretarissen werd belast met de verzorging van de archieven van de voormalige gemeenten. Zij verknoeiden meer dan dat ze verzorgden. Vele archivalia zijn toen vernietigd. Lijsten van vernietiging zijn toen niet opgemaakt. De negentiende-eeuwse bundels correspondentie zijn meer dan gehalveerd. Uit de zeventiende en achttiende eeuw moet in de loop der tijd veel verdwenen zijn.
De negentiend-eeuwse stelsels van ordening zijn de gebruikelijke. Een chronologische berging van stukken, voorzien van nadere toegangen. Van 1925-1932 paste men een onderwerpsgewijze ordening toe. Vanaf 1933 maakte men gebruik van de archiefcode van de VNG.
Voor de indeling in hoofdstukken van de inventaris is gebruik gemaakt van de indeling van de Basis Archief Code van de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Na de inventarisatie, waarbij geen vernietiging is toegepast, gelet op het verleden, heeft het archief een omvang van ongeveer achttien strekkende meter.
De gemeente Heinkenszand heeft in het verleden huisvesting gegeven aan enkele gemeenschappelijke regeling, zoals die van de Luchtbescherming en Bouw- en woningtoezicht en de dienst gemeentewerken. De administraties van deze regelingen voerde men ter secretarie van de gemeente. De archiefjes van deze regelingen zijn verre van compleet.
