‘s-Heer Abtskerke

Ontstaan

In wat nu het gebied van ‘s-Heer Abtskerke is, heeft men sporen van Romeinse aanwezigheid aangetroffen onder meer in de vorm van kalkovens. Dat had te maken met de aanwezigheid van kalkhoudende klei. De grond ter plaatse lag toen beduidend hoger dan het omringende land. Na de Romeinse tijd ontwikkelde zich een gebied met kreken en kreekruggen dat eerst voor bewoning ongeschikt was. Na de stormvloed van 1134 begon de mens met bedijking, waardoor een groot gebied van wat nu Zuid-Beveland is, voor bewoning geschikt raakte. Vanaf de 12e eeuw begon daar het proces van dorpsvorming. Zoutwinning en steenbakkerijen leidden tot bodemdaling in het gebied dat thans bekend staat als de Poel.

Het dorp ‘s-Heer Abtskerke stamt uit de 12e eeuw. De oorspronkelijke naam was Versvliet, naar een geul die van ‘s-Heer Abtskerke, via de Groe naar de Voorstad in Goes liep en even ten noorden van deze stad in het Schenge uitkwam. De naam staat voor de aanwezigheid van zoet water. Bij de aanleg van de Oostvest in Goes werd gebruik gemaakt van delen van deze geul, die ter hoogte van de A. Joachimikade was afgedamd om Goes een goede haven te bezorgen. Versvliet komt nog steeds voor als veldnaam.

Het dorp heeft die naam niet lang gehad. Al in 1206 of 1208 is in een oorkonde sprake van Versvlit id est Ser Abbenkerke. Uit de schaars bewaard gebleven archivalia kunnen we opmaken dat de naam ‘s-Heer Abtskerke alles te maken heeft met de abdij van Onze Lieve Vrouw in Middelburg, die vele bezittingen in het Poelgebied had. We nemen aan dat in opdracht van de abdij een kerk in het dorpje is gebouwd. Hoe lang de abt het voor het zeggen heeft gehad, weten we niet. Wel is bekend, dat er in de periode 1331-1333 nogal wat ambachtsheren waren, onder meer uit de geslachten Van Bruëlis, Van der Maelstede, Van den Poele, Van Baarsdorp en Van Henegouwen. In de 16e eeuw traden rijk geworden kooplieden als ambachtsheer aan. Dan komen namen als Van der Nisse, van Baarland en Witte naar voren. In de 17e , 18e en de 19e eeuw was de ambachtsheerlijkheid in bezit van nazaten van de familie Van Watervliet en De Perponcher Sedlnitsky. 

De allereerste summiere beschrijving van het dorp, dat in de volksmond Schrabbekerke heette, komt voor in de Kroniek van Smallegange. De daarop volgende is uit de 18e eeuw en is opgenomen in Tirion. In de 19e eeuw zijn er drie beschrijvingen verschenen, waarvan die van Van der Aa de bekendste en meest uitgebreide is.

Sinoutskerke en Baarsdorp zijn nooit verder gekomen dan de status van een gehucht. Voor Baarsdorp mag dat bijzonder heten, omdat daar een kasteel heeft gestaan. De locatie is nu nog enigszins herkenbaar in het landschap door middel van enkele (afgevlakte) vliedbergen. In beide gehuchten heeft een kerkje gestaan. In de 19e eeuw zijn die gesloopt. Kerkelijk gezien behoorde Baarsdorp tot het naburige ’s-Heer Arendskerke. Toen in de jaren zestig van de 17e eeuw de kerkelijke gemeenten van ’s-Gravenpolder en ’s-Heer Abtskerke van elkaar gescheiden werden, vormden ’s-Heer Abtskerke en Sinoutskerke één kerkelijke gemeente. In Sinoutskerke werd toen maar af en toe kerkdienst gehouden.

Gemeentewapen en gemeentevlag

Toen de Hoge Raad van Adel in 1815 alle gemeenten om gegevens verzocht om de door hen gevoerde wapens te laten bevestigen, kon men in ’s-Heer Abtskerke geen gegevens overleggen. In 1948 bleek dat de gemeente nog steeds geen door de Hoge Raad bevestigd wapen kon voeren. Het gemeentebestuur maakte gebruik van het wapen van de familie De Perponcher. Bij Koninklijk Besluit van 17 december 1949 werd het wapen dan eindelijk vastgesteld. De beschrijving luidt: “gevierendeeld: I en IV in keel drie zilveren kolommen naast elkaar staande op een voetstuk van het zelfde; in een schildhoofd van azuur drie gouden vijfpuntige sturren naast elkaar. II en III in keel een ongevederde pijl rustende op een horizontaal geplaatste handboog zonder pees, alles van zilver. Het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee paarlen.”

De gemeentevlag kwam er in 1954 toen er een manifestatie werd gehouden waarop alle Zeeuwse gemeenten met hun vlag moesten verschijnen. Op 24 maart van dat jaar stelde de gemeenteraad de vlag vast: vier banen, van boven naar beneden geel, blauw, wit en rood.

Grenscorrecties en herindelingen

In 1815 voegde men Sinoutskerke bij de gemeente ’s-Heer Abtskerke. Daarmee was niet gezegd dat de nieuwe gemeente ongestoord kon blijven functioneren. Al in 1829 kwam de provincie Zeeland met het plan om de gemeente te combineren met Nisse. Hevig verzet van beide gemeentebesturen bleek succesvol. De samenvoeging ging niet door. In 1853 kwam het voorstel om ’s-Heer Abtskerke te voegen bij ’s-Gravenpolder. Er waren in de gemeente nog geen 25 kiezers, het minimumaantal voor de verkiezing van leden van de gemeenteraad. Maar ook dit plan verdween in de ijskast.

In 1920 kwam er een plan tot samenvoeging met Nisse op tafel. De provincie droeg de gemeenten op te overleggen vanwege de kostbare maatregelen op het gebied van de gezondheidszorg, verbetering van wegen, elektriciteits- en watervoorziening, woningbouw en onderwijs. Nisse wilde wel komen tot ruiling van percelen grond, maar in ’s-Heer Abtskerke voelde men er niets voor.

In 1942, toen de democratisch gekozen bestuursorganen buiten werking waren gesteld, kwam een ingrijpend plan tot herindeling in de Zak van Zuid-Beveland aan de orde. Dat plan ging niet door. Ook plannen uit 1947, 1950 en 1954 voor hetzelfde gebied gingen niet door. Maar in de jaren zestig kwamen Gedeputeerde Staten van Zeeland met het plan om Zuid-Beveland op te delen in vier gemeenten en dat ging wel door. Met ingang van 1 januari 1970 werd ’s-Heer Abtskerke onderdeel van de nieuw gevormde gemeente Borsele.

Verloop van bevolkingsaantallen

Hoe groot de gemeente vroeger was, laat zich moeilijk raden. Uit de periode van voor de invoering der Burgerlijke Stand zijn wat gegevens voorhanden uit de kerkelijke registers en uit belastingkohieren. De oudste indicatie is een kohier van het haardstedengeld. Daarin worden 17 huizenbezitters aangeslagen. Armenhuizen werden daarin niet opgenomen. Het dorp telde vermoedelijk slechts twintig huizen. Wanneer het gemiddelde aantal bewoners per huis op 4 of 4,5 wordt gesteld, dan telde ’s-Heer Abtskerke toen zo’n honderd inwoners.

Gegevens uit 1747 geven een aantal van dertig huisgezinnen aan, wat een bevolkingsaantal van rond de 120 inwoners betekent. Volgens de bevolkingstelling van 1811 telde de gemeente toen 173 personen. In 1821 telde ’s-Heer Abtskerke 160 inwoners, Sinoutskerke 54 en Baarsdorp 91 inwoners, een totaal van 305. In de 19e eeuw was sprake van een golfbeweging. Zo waren er in 1840 271 bewoners, in 1860 was er een getal van 308, dat in 1870 weer was gedaald tot 285. In 1900 telde men er 337. Bij de herindeling in 1970 gingen er 400 inwoners over naar de nieuwe gemeente.

Dorps- en gemeentebestuur

De inrichting van het dorps- en later het gemeentebestuur wijkt niet af van de in Zeeland gebruikelijke gang van zaken. Een college van door de ambachtsheren benoemde schout en schepenen regelde de normale gang van zaken in de parochie, later de gemeente. Een grote verandering vond plaats in 1811 toen naar Frans model een maire en een municipale raad het dorp bestuurden. Vanaf 1814 was het Reglement op de inrichting van het platteland van toepassing. Er kwam een gemeenteraad en een college van schout en assessoren, later burgemeester en assessoren. Met de inwerkingtreding van de gemeentewet van 1851 kregen alle Nederlandse gemeenten een gemeenteraad en een college van burgemeester en wethouders. ’s-Heer Abtskerke telde conform de in de wet genoemde bevolkingsaantallen zeven raadsleden, die uit hun midden twee wethouders kozen. Eenmaal per vier jaar vonden er sinds 1851 verkiezingen plaats. Eerst kende men kiesgerechtigden op basis van inkomen, later kwamen daar loon- en spaarkiezers bij. Sinds 1920 bestaat er algemeen kiesrecht, zowel voor mannen als voor vrouwen. Kiezers moesten de leeftijd van volwassenen hebben bereikt. De burgemeester, die een speciale taak had op het gebied van brandweer en politie, werd door de Kroon benoemd.

Tot de gemeentelijke functionarissen waren in de 19e en 20e eeuw te rekenen: de gemeentesecretaris, de ontvanger, de ambtenaar van de burgerlijke stand (doorgaans de burgemeester), de hoofdonderwijzer en de gemeentelijke veldwachter. In de 20e eeuw vond uitbreiding van de gemeentesecretarie plaats door de benoeming van enkele ambtenaren. Het Groot Armbestuur, later het Burgerlijk Armbestuur, bestond uit door de gemeente benoemde leden.

Kerkelijke geschiedenis

De eerste vermelding van de kerk komt voor in een ongedateerde oorkonde uit de periode 1197-1212 waarin een afspraak wordt gemaakt over de verdeling van de tienden. Hoe het kerkgebouw er toen uitzag, weten we niet.

In de Monumentenlijst van 1920 is het gebouw alsvolgt omschreven: “De Nederlands Hervormde Kerk (gewijd aan Johannes de Dooper) is een bakstenen kruiskerk, reeds in 1208 vermeld, met een vrijstaande westtoren, schip (15de eeuws) van die traveeën met steunberen; twee deuren aan de noord- en zuidzijde en een rond venster boven elke deur, de andere ramen zijn spitsboogvensters. Langs het hele schip en dwarsbeuk loopt een z.g. tandlijst. Het schip is overdekt met een houten tongewelf, waarvan de geprofileerde spanten deels met rosetten beschilderd zijn. Lage transeptarmen (zijbeuken) uit het midden van de 16de eeuw. De noordbeuk met een modern venster, de zuidbeuk met gedicht raam. Het koor met steunberen, twee traveeën en 3/8 sluiting van schip en transept afgeslopten door een spitsboog.“. Het koor, het oudste deel van de kerk, dateert uit ca. 1300. Daarna bouwde men een vrijstaande toren. Die staat uit het lood omdat hij gebouwd is op de rand van een kreekrug. Daarna bouwde men het schip.

Deze kerk is de minst gewijzigde bakstenen kerk op Zuid-Beveland. In de loop der tijd voerde men vanzelfsprekend reparaties aan kerk en toren uit. Een belangrijke restauratie vond plaats in de periode 1964-1968. De totale kosten ervan bedroegen ruim hfl. 900.000,–.

Begraven in de kerk vond in de loop der eeuwen nauwelijks plaats. In het gebouw zijn slechts vijf grafzerken te vinden. Die zijn tijdens de restauratie overgebracht naar het koorgedeelte. Tot 1872 was de begraafplaats rondom de kerk in gebruik. In 1870 kreeg de gemeente opdracht van de Geneeskundig Inspecteur om de begraafplaatsen rond de kerken in ’s-Heer Abtskerke en Sinoutskerke te sluiten omdat deze dodenakkers te dicht bij de bebouwing waren gelegen. Het gemeentebestuur ging in beroep bij Gedeputeerde Staten van Zeeland. Dat college vond één algemene begraafplaats in de gemeente voldoende. Daartoe werd die van Sinoutskerke aangewezen. Op die begraafplaats werd een lijkenhuisje gebouwd.

Voordat de ontkerkelijking zijn intrede deed, was vrijwel iedereen in de gemeente Nederlands Hervormd. Katholieken en Gereformeerden waren er nauwelijks.

De locale economie

De landbouw en veeteelt waren en zijn het belangrijkste middel van bestaan in de gemeente. In de periode 1970-1974 vond er een belangrijke ruilverkaveling plaats in het gebied onder de naam De Poel-Heinkenszand. Er werden veel maatregelen genomen ter verbetering van de waterbeheersing in dit laag gelegen land, waar in de middeleeuwen veel gemoerneerd was. Voor de verkaveling stonden in herfst en winter vele landerijen onder water.

Er was een bescheiden middenstand in het dorp met zaken als een kruidenierswinkeltje en een smederij en vroeger wellicht nog een slagerij. Voor de andere boodschappen waren de inwoners aangewezen op Goes. Vandaag de dag heeft het dorp geen middenstand meer.

Het archief

De archiefstukken van de gemeente zullen voor 1874 wel bewaard zijn in de herbergen waar men de vergaderingen hield. Pas in dat jaar kwam er een vergaderlokatie, gebouwd door het Burgerlijk Armbestuur, dat als gemeentehuis in gebruik zou worden genomen. Tussen 1820 en 1874 deed de onderwijzerswoning dienst als vergaderlokaal van de gemeenteraad. Het gebruik van de door het Burgerlijk Armbestuur gebouwde vergaderlokaal leverde nog wel eens moeilijkheden op. In 1903 nam de raad het besluit dat de sleutels van de archiefkasten in de gemeentekamer door de conciërge moesten worden ingeleverd. Toen in 1938 de gemeentesecretaris, die de secretarie vanuit zijn woning voerde, met pensioen ging, kwam er een grote hoeveelheid archief in de raadskamer te liggen. Het vergadergebouw werd toen uitgebreid met een burgemeesterskamer en een brandvrije archiefkluis.

Het archief is verzorgd op een wijze die in de negentiende en twintigste eeuw gebruikelijk was. Bewaring van de correspondentie op chronologie in de negentiende en begin twintigste eeuw. Daarna van 1939-1947 toepassing van het Bloemendaals stelsel en sinds 1947 toepassing van de arciefcode van de VNG. In de jaren vijftig heeft men vrijelijk alle bescheiden uit de periode 1940-1944, waarvan men vond, dat die niet meer nodig waren, vernietigd.