‘s-Gravenpolder

Ontstaan

We nemen aan dat de Zwake als smalle kreek, lopend van west naar oost over de huidige Zak van Zuid-Beveland, is ontstaan in de periode tussen 500 en 750 na Christus. Eerst als een smalle kreek, maar na de stormvloeden van 1014 en 1134 als een brede getijdenstroom. Door het afdammen van kleine kreekjes en het aanleggen van lage dijkjes probeerden de toenmalige bewoners zich te beschermen tegen het steeds hogere water. Deze incidentele dijkjes en dammen groeiden in de loop der jaren uit tot een systeem van ringdijken. In de door deze dijken beschermde gebieden ontstonden tal van nederzettingen. Sommige namen zijn nog bekend zoals Sint Maarten in de Groe, Abbekinderen en Voirtrappe. De laatste is lang gehouden voor Fortrapa in de parochie Kloetinge. Deze zou genoemd worden in een oorkonde van 15 juni 922, waarin de kerk van Egmond in het huidige Noord-Holland met alle toebehoren, geschonken werd aan Diederik I van Holland. Hoe de naam Fortrapa in ons gebied terecht is gekomen, weten we niet. Dekker situeerde Fortrapa op het latere Wieringen en Kinnem op Terschelling. Dat laatste is onjuist. Kinheim moet gesitueerd worden in de omgeving van Haarlem, waarschijnlijk ten noorden van deze stad. Hoewel, er zijn ook bronnen die menen dat Kinheim het huidige Noord- en Zuid-Holland omvat. 

Het ontstaan van het dorp ’s-Gravenpolder valt te plaatsen in de zomer van 1316 toen het schor van Voirtrappe werd omdijkt en in het midden van de nieuwe polder de eerste huisjes werden gebouwd. Er zijn schrijvers die het gebied eigendom noemen van de graven van Holland, op basis van de oorkonde van 922. Maar dat is niet logisch. Een simpel schor in Zeeland eigendom van graven in wat nu Noord-Holland is, lijkt weinig reëel. Meer geloof kunnen we hechten aan de actie van Willem I, graaf van Holland, die bezittingen en rechten van Zeeuwse edelen in 1299 in beslag nam. Dit omdat Zeeuwse edelen, vooral de Van Borsele’s, met bezittingen in Kloetinge, Nisse en ‘s-Heer Abtskerke, de kant van de Vlaamse graaf hadden gekozen. De graaf gaf de verbeurde bezittingen aan zijn broer Jan van Beaumont, geen onbekende in Zeeland.

Doorgaans leidde de ene inpolderingen tot de volgende. Dat was ook hier het geval. Nadat de schorren van Voirtrappe waren ingepolderd, volgden al gauw de Heer Geertspolder in 1347, de Heer Janspolder, tussen 1347 en 1381, de Oosterzwakepolder in 1468, de Middelzwakepolder in 1474 en de Kruiningenpolder in 1506.

Ambachtsheerlijkheden

De actie van Graaf Willem I in 1299 had er toe geleid dat het recht van aanwas aan hem kwam. Via Willem III en IV kwam het gebied in handen van het geslacht Van Beieren. De laatste die het in handen had, was de bekende Jacoba van Beieren. Zij vervreemdde het in 1430 aan één van haar ambtenaren, Willem die Beyer, die het in 1437 verkocht aan Frank van Borsele en Wolfert van der Maelstede. Zij werden ieder voor de helft eigenaar van de ambachtsheerlijkheid. Latere eigenaren zijn onder meer het geslacht van Cats, de families van Watervliet en Van der Nisse. In de 18e eeuw kwam de heerlijkheid in handen van de familie De Perponcher.

In de kronieken

Smallegange geeft een summiere beschrijving van het dorp: een bequaem dorp met een goede kerk en tooren, niet verre gelegen van de Middelswaek. In de achttiende eeuw is er de beschrijving van Tirion, de “tegenwoordige staat.” Het dorp had een bekwaame lugtige kerk, waarboven een klein vierkant Toorentje….Negentiende eeuwse beschrijvingen zijn er van Van der AA en de Kapelse onderwijzer Sluijters.

Het is aannemelijk, dat het dorp eerst Voortrappe heeft geheten, waarna in een later stadium de naam ’s-Gravenpolder ingang vond. Het wapen van de gemeente bevatte een arend van sabel, dat bevestigd werd in 1817 en waarvan Nagtglas vermoedde dat het afkomstig was van de heer van Polheim in Duitsland. De link die dan gelegd moet worden is het huwelijk van Wolfgang van Polheim en Johanna Wolfertsdochter van Borsele, die in 1487 de rechten en bezittingen in ’s-Gravenpolder van haar vader erfde. Het wapen bevatte verder acht bollen van zilver. Wellicht hebben die te maken met Willem Bolle, die in dat jaar eigenaar van de ambachtsheerlijkheid was. Het wapen van Zwake, de uiterst kleine gemeente die in 1816 bij ’s-Gravenpolder werd gevoegd, zou gelieerd zijn aan het geslacht Recourt de Lens de Boulogne de Licques, tevens baronnen van Wissenkerke in het land van Waes en graven van Rupelmonde. Maar spreken de Fransen zelf niet van “tant de bruit pour une omelette.” We laten dat maar voor rekening van andere schrijvers. Het vorenstaande maakt duidelijk, dat er van de oudste geschiedenis van ’s-Gravenpolder veel in de krochten van de geschiedenis verborgen is.

Dorps- en later gemeentebestuur

De inrichting van het dorps- en later het gemeentebestuur week niet af van de op Zuid-Bevelandse gebruikelijke gang van zaken. Voor 1795 benoemden de ambachtsheren de schout, de schepenen, de secretaris en de schotter. Zij hadden ook in de kerk een stevige vinger in de pap en moesten de beroeping van predikanten goedkeuren, ouderlingen en diakenen benoemen.

Doorgaans telde het college van schout en schepenen dat zich met de lage rechtsspraak bezig hield – de berechting van halsmisdrijven was voorbehouden aan het gerecht van Middelburg – zeven schepenen. De inwoners kwamen ook bij het gerecht voor zaken als aan- en verkoop en verhuur en verpachting. De daarmee samenhangende registers zijn bewaard gebleven en maken deel uit van het Rechterlijk Archief Zeeuwse Eilanden. Vanaf 1795 zou de inrichting van de dorpsbesturen gaan veranderen. In de periode 1810-1813 was de Franse wetgeving van kracht en kende het dorp een maire en municipale raad. Vanaf 1814 was er sprake van een gemeenteraad en een college van schout en assessoren. De gemeenteraadsleden werden benoemd door het provinciebestuur. In 1825 trad er een nieuw reglement op de inrichting van het platteland in werking. Daarbij veranderde de naam “schout” in “burgemeester.” In 1851 trad de gemeentewet in werking. De gemeenteraad werd gekozen door de ingezetenen van de gemeente die aan bepaalde eisen moesten voldoen, zoals leeftijd en een bepaalde gegoedheid. De leden van de raad werden niet meer benoemd door de provincie. Uit zijn midden benoemde de gemeenteraad twee wethouders. Lettend op de grootte van de gemeente, bestond de raad uit zeven leden. Algemeen kiesrecht voerde men in Nederland in 1921 in.

Vooral vlak na de Eerste Wereldoorlog en in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw beleefde de gemeenteraad een roerige periode. Kwam na de verkiezing als uitslag een rechtse raad tot stand, waarin onder meer de SGP zitting had, dan was de eerste bestuursdaad van de raad, na de beëdiging, een aanpassing van de Algemene Politie Verordening, waarin de sluitingstijden van de plaatselijke café’s werden vervroegd. Heel gebruikelijk was het dat bij de daarop volgende verkiezing waar links de meerderheid behaalde – steeds met een zetel verschil – de sluitingstijden onmiddellijk werden verruimd.

Van oorsprong zetelde het dorpsbestuur in de parochieherberg. Dat had vanzelfsprekend het gevolg, dat er nogal eens besluiten onder invloed werden genomen. In 1881 kwam daaraan een eind toen er een wettelijke regeling tot beteugeling van openbare dronkenschap in werking trad. De gemeente huurde toen een pand van de landbouwer Johannes Polderman dat in gebruik werd genomen als gemeentehuis. In 1926 bouwde de gemeente een nieuw gemeentehuis dat tot 1969 als zodanig in gebruik bleef.

Kerkelijke geschiedenis

Vermoedelijk heeft er eerst een kapel in het dorp gestaan, waar de aanvankelijk weinige inwoners hun kerkelijke plichten konden vervullen. Het koor van de kerk stamt vermoedelijk uit de late veertiende eeuw. Het schip stamt uit de vijftiende eeuw, de zuidelijke dwarsarm is gebouwd in de vroege zestiende eeuw en de noordelijke dwarsarm kan gedateerd worden op het midden van de zestiende eeuw. De toren is laat veertiende eeuws.

In de loop der eeuwen werden met enige regelmaat herstellingen aan kerk en toren verricht. Een eerste grote verandering vond plaats in 1875 toen men de toren verbouwde. In de periode 1957-1961 vond een algehele restauratie van kerk en toren plaats.

De Nederduits Gereformeerde Gemeente, sinds 1816 de Hervormde Kerk, is lang de enige kerkelijke gemeente in het dorp geweest. Toen in Zeeland in 1836 de Afscheiding om zich heen greep, verliet ook te ’s-Gravenpolder een aantal Hervormden de plaatselijke kerk en sloot zich aan bij de Christelijke Afgescheiden Gemeente te Goes. Rond 1850 voelde de landbouwer D. Bakker zich geroepen een afzonderlijke gemeente te stichten die in de kring van de Oud-Gereformeerden terecht kwam. Eerst kerkte men op de hofstede De Palmboom van Dekker. Naderhand bouwde men een kerkje aan de Provinciale Weg. In deze gemeente kwam het in 1924 tot een scheuring. Een groot aantal lidmaten voegde zich bij de door ds. Kersten geleide Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika. Thans is de Gereformeerde Gemeente de grootste kerkelijke gemeente in ’s-Gravenpolder.

In 1898 kwam het tot instituering van de Gereformeerde Kerk. Eind twintigste eeuw verenigde deze zich met de Hervormden en Gereformeerden van ’s-Gravenpolder en Baarland tot een PKN-gemeente.

Lokale economie

Landbouw en veeteelt zijn eeuwenlang de motor van de lokale economie geweest. Sinds het begin van de twintigste eeuw kwam ook de fruitteelt op. Aan landbouw en veeteelt gerelateerde bedrijven, zoals wagenmakerijen en smederijen waren er vanzelfsprekend ook, naast de gebruikelijke winkelneringen. In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam er ook wat industrie, zoals de uienfabriek van Mol. Vandaag de dag is ’s-Gravenpolder de op één na grootste kern van de gemeente Borsele, met zo’n 4600 inwoners. Het is vooral een forensendorp geworden.

Cultuur

Een enkel woord over de rederijkersvereniging ‘De Fiolieren’ mag niet ontbreken. Deze vereniging is in de zestiende eeuw opgericht en heeft het tot in het begin van de negentiende eeuw volgehouden, ondanks plakkaten van de Zeeuwse overheid en bestrijding door de plaatselijke predikanten. Van deze kamer zijn toneelrollen bewaard gebleven, die jarenlang onder het stof verborgen zijn gebleven. De zinnespreuk van de vereniging was: met deught verwinnende. De patroonheilige was St. Barbara. De toneelrollen bevinden zich in de archiefbewaarplaats.

Het archief

Waar de dorpsbestuurders vroegen het archief bewaarden? Vermoedelijk in de dorpsherberg of bij de secretaris thuis. Toen er een echt gemeentehuis in gebruik werd genomen, zal men het archief daar hebben opgeborgen. Het in 1926 gestichte gemeentehuis kende nog geen echte archiefberging. In 1939 kreeg de gemeente de opdracht om een archiefkluis te bouwen. In de negentiende eeuw vormde men het archief op de toen gebruikelijke wijze, namelijk chronologisch. De stukken werden per jaar gebundeld. Niet bekend is wanneer men deze bundels heeft omgewerkt naar een onderwerpsgewijze berging, maar dat zal na 1928 zijn geweest, toen men de Archiefcode van de VNG invoerde.

Toen de gemeente Borsele op 1 januari 1970 een feit was, kregen twee oud-gemeentesecretarissen de opdracht om de oude archieven van de voormalige gemeenten te inventariseren. Er is toen zeer veel archiefmateriaal verdwenen, zonder dat er verklaringen van vernietiging zijn opgemaakt. De door deze functionarissen opgemaakte “inventarissen” voldeden niet, reden om het archief, dat het oudste materiaal van de gemeente Borsele, bevat, opnieuw te inventariseren. Uit het archief van de gemeente Borsele, 1970-1995, moest nog het nodige worden teruggebracht tot het archief van ’s-Gravenpolder.