Ovezande

Ontstaan

Evenals Heinkenszand is Ovezande ontstaan als een eiland. Het ontstaan van Ovezande moet vroeger gesitueerd worden dan dat van Heinkenszand, namelijk vóór 1331. In 1318 werden er reeds tienden voor het eiland betaald en in 1324 was er al sprake van “Avesant”. Op dit eiland ontstond een dorp met een kapel. Omstreeks 1350 werd de zeedijk binnendijk en breidde het dorp zich aan de westzijde daarvan uit. De kapel wordt voor het eerst vermeld in 1419, maar dateert uit de eerste helft van de 14e eeuw. Vóór 1442 werd deze kapel parochiekerk.

Ovezande bleef niet lang een afzonderlijk eiland. Omstreeks 1340 werd het met Oudelande verbonden door middel van een dam, de tegenwoordige  Zakdijk. Ovezande heeft zich in de loop der eeuwen als een typisch dijkdorp ontwikkeld. Het is lang een klein dorp geweest. Al voor 1300 was er al schamele behuizing. Het dorp met de kapel werd gebouwd langs de zuidwestelijke zeedijk van de Oud-Ovezande- èn Verlorenkostpolder. Het leven van de eerste bewoners werd sterk beïnvloed door de zee. De belangrijkste activiteiten waren dijkenbouw en het onderhoud ervan, ontginning, overvaren, schapen hoeden en vissen. Doordat het dorp door latere inpolderingen steeds meer landinwaarts kwam te liggen, werd de landbouw de belangrijkste bron van inkomen voor de bevolking.

Tot het grondgebied van de gemeente behoorden de polders Oud Ovesant, Verlorenkostpolder, Onse Lieve Vrouwepolder, Nieu Ovezand, de Zakpolder, Calagne, de Blaesecop, Hollestelle, de Naelde, Nieuwlandeke, St. Anthonijpolder, Louisepolder, de Nieuwe Kraaijertpolder en de Borsselsepolder.

Ambachtsheerlijkheden

Ovezande viel onder de heren van ‘s-Heer Arendskerke, het geslacht van Schenge. Deze hadden de grafelijke rechten op Ovezande. Het ambacht was verdeeld onder een aantal ambachtsgerechtigden, deze hadden zich verenigd in de Vereniging van ambachtsgerechtigden van ‘s-Heer Arendskerke c.a.. Ze vergaderden jaarlijks in de gemeenteherberg te ‘s-Heer Arendskerke of Heinkenszand. In 1872 werd de vereniging ontbonden en werden de goederen en rechten verkocht. De titel heer van Ovezande en ‘s-Heerenhoek  werd gekocht door J.A. Tak. Deze verkocht hem in 1875 weer door aan Abraham van Stolk te Rotterdam.  Na 1885 is er waarschijnlijk niets meer met deze titel gedaan of is weer doorverkocht.

Het dorps- en later gemeentebestuur

Het bestuur van Ovezande zal vroeger niet veel afgeweken hebben van de andere dorpen in Zuid-­Beveland. De ambachtsheren benoemden de baljuw, de schout en schepenen en de kerk- en armmeesters. De baljuw en schepenen, later schout en schepenen, waren belast met de uitvoering van het bestuur in het dorp. Ze hadden ook de lage rechtspraak in handen. Administratief werd het bestuur bijgestaan door de dorpssecretaris. In 1795 vond de Bataafse omwenteling plaats en werden de ambachtsheerlijke rechten afgeschaft. De rol van de ambachtsheren in het plaatselijke bestuur was uitgespeeld. Een prille vorm van democratie werd nu ingevoerd.

In de periode 1810-1813 behoorde Nederland  tot het keizerrijk Frankrijk. De Franse wetgeving was hier nu van toepassing. Er kwamen een maire en een municipale raad, het zwaartepunt van het bestuur kwam bij de maire te liggen. In 1814 werd Napoleon verslagen en ontstond het Koninkrijk der Nederlanden. Er kwam nu een gemeenteraad en een schout en assessoren. Deze laatsten werden gekozen door de raad en benoemd door het provinciebestuur. In 1824 werd de titel schout veranderd in die van burgemeester. Een gevolg van het nieuwe reglement op de besturen ten plattelande ingevoerd.

In 1851 voerde men de gemeentewet in en verviel het verschil tussen stad en platteland. Aan het hoofd van de gemeente kwam de gemeenteraad te staan. Deze had de bevoegdheid om verordeningen in te voeren en moest de gemeentelijke  financiën regelen. Uit deze gemeenteraad, die om de vier jaar verkozen werd, werden twee wethouders aangewezen. Deze vormden samen met de burgemeester het college van burgemeesters en wethouders. Deze waren belast met de voorbereiding en uitvoering van de besluiten voor de gemeenteraad en met medewerking aan wettelijke regelingen van hogerhand. Het oppertoezicht  over de brandweer en de politie viel toe aan de burgemeester. Hij werd door de Kroon benoemd voor een termijn van zes jaar. Representatie was ook een van zijn taken. Regel was dat hij meestal voor een volgende termijn werd herbenoemd.

In 1851 werd er een pril begin gemaakt met de democratie. Niet alle inwoners van het dorp hadden stemrecht. De toplaag van de gemeente koos de gemeenteraad. Naarmate de tijd verstreek, kwamen er andere vormen van kiesrecht. Er kwam loonkies-, spaar-en examenkiesrecht. Pas in 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd voor iedereen die ouder was dan 21 jaar. De gemeenteraad van Ovezande bestond uit zeven leden naar rato van het aantal inwoners van het dorp.

In het begin vergaderde het parochiebestuur in één van de plaatselijke herbergen. In Ovezande werden hiervoor twee herbergen gebruikt, namelijk “De Swaene” en “De Prince”. De vergaderingen werden tot 1881 in één van de dorpsherbergen gehouden. In 1882 besloot men het huis, dat door burgemeester Mulder werd gehuurd van het Nederlandse Hervormde Kerkbestuur, met het ernaast liggende pand te kopen. Dit pand werd verbouwd tot secretarie. In 1936 werd de voormalige burgemeesterswoning verbouwd tot gemeentehuis. De benedenverdieping werd gebruikt als secretarie en raadszaal. De bovenverdieping werd verhuurd als woning. Deze situatie bleef bestaan tot 1970. Toen kwam de herindeling en verloor het gebouw zijn functie. Op 6 augustus 1974 werd het gebouw voor het symbolische bedrag van fl. 1,-  verkocht aan de “Stichting Dorpswelzijn Ovezande”. Dit op voorwaarde dat het blijvend dienstbaar moest zijn aan de verenigingen en particulieren van Ovezande.

Dorpsleven

Ovezande had overwegend landbouw als middel van bestaan. Het hoogst aantal inwoners van Ovezande bedroeg in 1950 1448 inwoners. In 1601 stonden er 69 huizen in het dorp. Waarschijnlijk  had het dorp toen een totaal van 310 inwoners. Rond 1680 waren er 74 huizen en 333 inwoners. In 1747 was het aantal huizen opgelopen tot 81 en had het dorp ongeveer 364 inwoners. Dit aantal liep in de 18e en 19e eeuw gestaag op. In 1795 waren er 100 huizen en 452 inwoners. In 1811 was het aantal inwoners opgelopen tot 603. Tussen 1811 en 1826 schommelt het aantal inwoners tussen 588 en 669. In het jaar 1900 waren er 947 inwoners. Bij de herindeling van I januari 1970 woonden er in Ovezande 1337 mensen.

Door de eeuwen heen had Ovezande twee herbergen. Zoals we al zagen, vergaderde daar het parochiebestuur, later het gemeentebestuur. Tot op heden is er nog steeds een molen in Ovezande. Er zijn er jaren twee geweest, maar de Blaeskopmolen draait al jaren niet meer en is in staat van verval geraakt.

In 1811 was er veel bedrijvigheid in het dorp. Er waren vier kleermakers, twee herbergiers, twee schoenmakers, twee winkeliers, een bakker, een slager, twee timmerlieden, een wever, een kuijper en een leidekker.

Kerkelijke geschiedenis

In het dorp hebben altijd twee kerkgenootschappen bestaan, namelijk de Nederlands Hervormde Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk. In de 17e en 18e eeuw moesten de Katholieken ondergronds. In 1798 kwam er met de nieuwe Staatsregeling vrijheid van godsdienst en mochten de Katholieken hun godsdienst weer uitoefenen. In de 19e eeuw waren de meeste inwoners Katholiek. Direct na 1798 trachtten zij het protestants kerkgebouw, dat voor de reformatie een katholiek gebouw was, opnieuw in handen te krijgen. Zij deden dit op grond van art. 6 van de nieuwe Staatsregeling van 1798, omdat zij de meerderheid op het dorp hadden. Er werd zelfs een rechtszaak gevoerd tussen de Hervormden en Katholieken. Het kerkgebouw werd toegewezen aan de Katholieken. Naar rato van het aantal lidmaten werd een afkoopsom geregeld. De afkoopsom werd echter nooit uitgekeerd omdat de Katholieken onderling ruzie kregen. Alles bleef bij het oude. Pas in 1858 kreeg de parochie Ovezande een kleine mate van zelfstandigheid en werd er een kerkgebouw neergezet. In 1873 werd de parochie Ovezande zelfstandig verklaard.

De Nederlands Hervormde Kerk kerkte vanaf 1582 in het gebouw van de Rooms-Katholieke kerk. De kerk dateerde uit het 1e kwart van de 16e eeuw, de preekstoel dateerde uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw werden er twee restauraties uitgevoerd. In 1840 werd de kerk grondig gerestaureerd. Het uiterlijk van de kerk werd veranderd. Aan de oostkant werd de sacristie afgebroken. Alle ramen werden vernieuwd en vergroot. De houten scheidswand tussen het Noordertransept en de kerkruimte werd vervangen door een gemetselde muur. De vloer van het voormalige koor werd 50 cm opgehoogd. In 1954-1955 werd de toren gerestaureerd.

Scholen

Tot 1913 was er op Ovezande alleen een openbare lagere school. In dat jaar kwamen er een katholieke en een christelijke school. De openbare school werd door de gemeente gesloten, het personeel werd ontslagen en het schoolgebouw  werd verhuurd aan het Christelijk onderwijs. Het hoofd van deze school werd nu hoofd van de Christelijke school. De Katholieke school bestaat heden ten dage nog, maar de christelijke school hield in 1963 op te bestaan. De oude school heeft tot 1972 leeggestaan en werd toen gesloopt. De Z.L.M. was in 1930 op zoek naar een geschikte locatie voor dit onderwijs. Men had 24 aanmeldingen uit Ovezande. Vandaar dat men deze cursus op de zolder van de Rooms-Katholieke school wilde geven. Door enige aanpassingen aan de zolder kon de cursus doorgang vinden. In 1939 werd de oprichting van de Rooms-Katholieke Landbouwhuishoudschool te Ovezande een feit. In 1953 werd er een nieuw schoolgebouw gebouwd. De school zou uitgroeien tot de grootste school in zijn soort in Midden-Zeeland. In 1968 kwam er met de Mammoetwet een grote reorganisatie van het onderwijs. Er kwam een concentratie van scholen en de Landbouwhuishoudschool te Ovezande moest sluiten, en de opleidingen werden in Goes geconcentreerd.

Het archief

We kunnen er van uitgaan, dat in oude tijden het archief bewaard is in de gemeenteherberg. In 1795 werd in de herberg van Nicolaas de Jonge een zogenaamde parochiekasse getimmerd. Hier is het archief waarschijnlijk in opgeborgen. In 1882 werd het woonhuis naast de burgemeesterswoning omgebouwd tot secretarie en men moet er vanuit gaan dat het archief daar toen een plaats kreeg. In 1936 werd de voormalige ambtswoning van de burgemeester omgebouwd tot secretarie en er werd in het gemeentehuis een archiefkluis gebouwd. Dit is goed te zien op de tekening van het verbouwingsplan van 1936.

Na de gemeentelijke herindeling  van 1970 werd het archief geïnventariseerd door twee oude secretarissen. Er zijn stukken vernietigd, die niet vernietigd mochten worden en er zijn geen verklaringen van vernietiging  opgemaakt. Die zijn wel opgemaakt van 1948-1956. Daaruit blijkt dat daar ook stukken instaan, die niet vernietigd hadden mogen worden. In inventaris nr. 809 bevindt zich een verslag van de provinciale archiefinspectie, waarin gesteld wordt dat er achter de secretarie een brandvrije archiefbewaarplaats is gebouwd. De bewaarplaats is van een elektrisch verwarmingselement voorzien en een aantal ventilatieopeningen met roosters, waarvan er een aantal gesloten zijn. Dit is niet goed voor de ventilatie en de inspekteur raadt dan ook aan om de roosters open te zetten. Hieraan wordt gevolg gegeven.