Nisse
Ontdek de geschiedenis van deze voormalige gemeente en start het onderzoekmet de inventaris van het archief.
Ontstaan
De eerste keer dat Nisse in schriftelijke bronnen voorkomt, is in een oorkonde van de Utrechtse bisschop Diederik II. Deze oorkonde gaat over het verdelen van de tienden in de Poel. Het origineel bestaat niet meer, maar er is nog wel een afschrift uit 1319 voorhanden. Diederik was van eind 1197 tot 5 december 1212 bisschop van Utrecht. Men moet ervan uitgaan, dat Nisse dus voor 1196 is ontstaan. De eerste bewoners hebben zich waarschijnlijk in de 12e eeuw in het gebied gevestigd. Men kan dit afleiden uit het archeologisch onderzoek van 1989, uitgevoerd bij de verbouw van het verenigingsgebouw. Aan de hand van gevonden aardewerkscherven van het type Paffrath, Pingsdorp en vroeg rood kan het allereerste begin van de bewoning gesitueerd worden in het eerst kwart van de 12e eeuw, dus nog net voor de stormramp van 1134. Bij deze opgravingen heeft men ook een bewoningsterpje ontdekt van ongeveer 1 meter. Dit lag vlak bij de plaats waar de kerk werd gebouwd. De kerk heeft men ook op een kunstmatige verhoging gebouwd. Rond de kerk groef men een slotgracht. De grond hieruit is waarschijnlijk gebruikt voor het ophogen van de beide terpen. Rond het jaar 1200 heeft men deze slotgracht weer gedempt, er kwam een verhoging op met cultuurgrond om het geheel te egaliseren. Op de plaats van de woonterp is naderhand nooit meer bebouwing geweest. Wel is er zuidelijker een hoge “vliedberg” opgeworpen. Waarschijnlijk is de eigenaar daarop gaan wonen. Nisse ontwikkelde zich na de middeleeuwen tot een welvarend dorp. In 1747 telde het dorp 72 huizen. Het bezat toen al een korenmolen en men roemde de buitenplaats Hof ter Nisse. In 1837 telde het dorp 454 inwoners. Tot het grondgebied van Nisse behoorden de Prooiepolder, de Polder van Schouwersweel, de Pierkinspolder, het Rondepoldertje, de Langen Nieuwlandepolder, het nieuwe poldertje voor Ovezande, de Willoutspolder, de Nisse Stellepolder, de Zakpolder, de Kruiningenpolder en de Louisepolder.
Ambachtsheerlijkheden
Vroeger was Nisse een ambachtsheerlijkheid. Aan het hoofd hiervan stond een ambachtsheer. We weten niet hoe vroeg Nisse al ambachtsheerlijke rechten had. Bekende ambachtsheren waren leden van het geslacht van Borsele tot 1493. Daarna kwamen leden uit het geslacht Bourgondië. Deze bleven ambachtsheer tot in de 16e eeuw. Sinds 1609 was de ambachtsheerlijkheid in het bezit van leden van het geslacht Van der Nisse. In 1757 was dit afgelopen aangezien het geslacht toen uitstierf. Nu werd Jan Tieleman Spijker ambachtsheer. Hij werd in 1793 opgevolgd door Jan Hendrik Verschoor. Zijn nakome- lingen zijn nog steeds ambachtsvrouwe van Nisse.
Het dorps- en later gemeentebestuur
In oude tijden was het bestuur in Nisse ongeveer hetzelfde als de overige dorpen in Zuid-Beveland. De ambachtsheren hadden de benoeming van baljuw, schepenen, kerk- en armmeesters in handen. Voor het beroepen van een predikant was eveneens hun goedkeuring nodig. Zij hadden zo een stevige vinger in de pap bij het bestuur van het dorp.
De uitvoering van het bestuur van het dorp en juridische zaken lag in handen van baljuw en schepenen. Ze werden hierin bijgestaan door een dorpssecretaris. In 1795 veranderde dit allemaal. De Fransen maakten nu de dienst uit. De ambachtsheerlijke rechten werden afgeschaft. De rol van de ambachtsheer bij het verkiezen van dorpsfunctionarissen was nu helemaal verdwenen. De burgers kregen het nu voor het zeggen. Echter nog niet in de vorm van de democratie van vandaag. De eerste aanzetten hiertoe werden wel gegeven.
Van 1810-1813 was de Franse wetgeving van kracht. Nu werden een maire en municipale raad benoemd. Het zwaartepunt van het bestuur kwam nu bij de maire te liggen. In 1814 kwam er weer een andere bestuursvorm. Er kwam een gemeenteraad, een schout en uit de gemeenteraad benoemde assessoren. In 1824 voerde men een nieuw reglement op de besturen ten plattelande in. De naam van de schout veranderde nu in burgemeester.
In 1851 werd een nieuwe gemeentewet ingevoerd. Het onderscheid tussen platteland en stad verviel. Aan het hoofd van de gemeente kwam de gemeenteraad. Deze kreeg verordenende bevoegdheden en de regeling van de gemeentelijke financiën. Om de vier jaar werd de gemeenteraad gekozen door de inwoners van de gemeente. Uit deze gemeenteraad werden twee wethouders benoemd, die samen met de burgemeester het college van burgemeester en wethouders vormden. Dit college was belast met de voorbereiding van zaken die door de gemeenteraad moesten worden besloten. Ook waren ze belast met de uitvoering van wettelijke regelingen van hogerhand. De burgemeester had de verantwoording voor de brandweer en de politie. Hij werd door de Kroon benoemd voor een periode van zes jaar. Daarna volgde meestal herbenoeming. In de periode 1875-1920 was de burgemeester van Nisse ook burgemeester van Driewegen.
Vanaf1851 was het verkiezen van de bestuurders van het dorp voorbehouden aan de toplaag van de gemeente. Daarna kwamen allerlei varianten, zoals loon-, spaar- en examenkiezers. In 1919 veranderde dit radicaal. Er kwam algemeen kiesrecht voor ingezetenen ouder dan 21 jaar. De grootte van de gemeente was bepalend voor het aantal raadsleden. In Nisse bestond de raad uit zes leden.
Het gemeentebestuur vergaderde van oudsher in het zogenaamde parochie of rechtshuis. Later vergaderde men in de gemeenteherberg. Hier had men de zogenaamde gemeentekamer gehuurd. Op 1 februari 1882 besloot men de consistorie van de Hervormde Kerk te huren omdat het gemeentebestuur onenigheid had met de herbergier. Op 16 februari 1882 besloot de raad een woonhuis te kopen om daar het gemeentehuis van te maken. Men was echter niet gelukkig met de locatie en in 1885 werd besloten om het gemeentehuis te ruilen voor het woonhuis met schuur van P. Hirdes. Men moest ook nog een som geld van fl. 1000,- betalen. Het woonhuis zou als woning voor het hoofd der school dienen en de schuur zou gemeentehuis worden. Op 1 februari 1888 nam men het gemeentehuis in gebruik. Tot aan de herindeling van 1970 vergaderde men in dit gebouw. Daarna verkocht men het aan de heer van der Poest Clement. Deze liet de hele zaak afbreken om er een nieuwe woning neer te zetten.
Lokale economie
In de 19e eeuw was het grootste deel van de bevolking van Nisse werkzaam in de landbouw. Verder bestond de beroepsbevolking uit bakkers, herbergiers, wagenmakers, timmerlieden, een smid, een rietdekker, een kleermaker en een schoenmaker. Nu vindt men bijna geen van deze middenstanders in het dorp. Zelfs de dorpswinkel is verdwenen. Het dorp werd gedomineerd door een aantal grote boeren die ook de grootste werkgevers waren. Met de opkomst van de mechanisatie van de landbouw in de 20e eeuw verdwenen de landarbeiders. De meeste inwoners van nu werken elders en niet meer in het dorp zelf.
Kerkelijke geschiedenis
De Nederlandse Hervormde Kerk was één van de twee kerkelijke gemeenschappen in het dorp. Deze gemeente beschikt over een prachtige kerk. Het is een bakstenen gebouw in de vorm van een kruiskerk en dateert uit de 14e en 15e eeuw. De kerk was gewijd aan Onze Lieve Vrouwe. In 1921 is de kerk grondig gerestaureerd. Oorspronkelijk had de toren vier kleine hoektorens, maar drie ervan zijn bij de restauratie van 1805 gesloopt. De andere kerkelijke gemeenschap is de Gereformeerde Gemeente. Ook op dit dorp heeft de onkerkelijkheid toegeslagen.
Scholen
In Nisse is er altijd maar één school geweest. Tot 1799 was het onderwijs een zaak van de kerk en de ambachtsheer. Er bestond een nauwe band tussen kerk en school. Na 1799 werd de school een zaak van de gemeente. Deze besloot in 1856 een school op het dorpsplein te bouwen. Deze werd in 1883 vervangen door een nieuwe school. Dit gebouw bleef tot 1966 staan en werd toen afgebroken omdat er een nieuwe school aan de Diaconielaan werd gebouwd. Deze is nog steeds in gebruik als school.
Dorpsleven
Het dorp kende een rijk verenigingsleven. Er was een handboog- en rhetoricagilde. Het handbooggilde werd in 1727 opgeheven. In 1862 was er ook van het rhetoricagilde geen sprake meer. Een schietvereniging en een muziekgezelschap waren ook een deel van het dorpsleven. In 1963 werd de muziekvereniging opgeheven bij een gebrek aan leden. De schietvereniging bestaat nog steeds.
Archief
De oudste archiefbescheiden uit het archief van Nisse dateren uit het einde van de 16e eeuw. Van de 16e tot de 19e eeuw werden de vergaderingen in de dorpsherberg gehouden. Daar zal in die tijd ook wel het archief geborgen zijn. In 1887 werd in Nisse een gemeentehuis gebouwd. Daar werd ook het archief bewaard.
Voor het eerst werd het archief beschreven in 1788. In 1877 werd de rechtbank in Goes opgeheven en de stukken werden gedeponeerd bij de Arrondissementsrechtbank van Middelburg. In 1885 werden deze overgedragen aan het Rijksarchief in Zeeland. De resterende stukken, die zich nog bij de gemeente bevonden, werden in 1896 op grond van het KB van 1895 door het gemeentebestuur overgedragen aan dit rijksarchief. De kerkelijke doop-, trouw-, en begraafboeken daterend van voor de invoering van de burgerlijke stand werden in 1922 overgedragen.
Wat opvalt, is de uitstekende zorg voor de archivalia gedurende de Franse tijd. De stukken werden consequent ingeschreven en in het jaar 1813 vond zelfs een rubriekgewijze ordening plaats. Vanaf 1814 keerde men weer terug naar de chronologische ordening en werd er minder aandacht aan de zorg voor de bescheiden besteed.
In 1922 brak men volledig met de chronologische ordening. Alle stukken werden nu geordend naar een eigen rubriekenstelsel. In 1941 werd de systematische code van de VNG ingevoerd.
De laatste verandering voor het archief vond plaats in 1969 met de gemeentelijke herindeling. Per 1 januari 1970 ging het archief van Nisse over naar de nieuw gevormde gemeente Borsele. Het archief werd op die datum afgesloten en gedeponeerd in de archiefbewaarplaats van de gemeente Borsele te Heinkenszand. Bij de inventarisatie van de archieven van de voormalige gemeenten is veel materiaal vernietigd zonder verklaring van vernietiging. Hierbij zijn stukken vernietigd, die niet vernietigd mochten worden. Op “deskundige” wijze werd het mes gezet in de papieren nalatenschap van de gemeente.
